|
|
|
|
|
|
| Toevoegen |
| Parallellogram |
Geplaatst door: Mathijs |
Een parallellogram is een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn. De 3 kenmerken van een parallellogram zijn:
1: De overstaande zijden zijn even lang
2: De diagonalen delen elkaar middendoor
3: De overstaande hoeken zijn even groot |
| |
| Periode |
Geplaatst door: Mathijs |
| Als een grafiek uit meerdere stukken bestaat, noem je 1 zo'n stuk een periode. |
| |
| Pi |
Geplaatst door: Mathijs |
| π, spreek je uit als pie. Pi is afgerond: 3,14. Onthoud wel dat pi eigenlijk miljoenen getallen achter de komma heeft. Je gebruikt π om bijv. de oppervlakte van een cirkel te berekenen. Dat is π x r². Om de inhoud van een cilinder te berekenen gebruik je ook pi. Die formule is: Gr x h (grondvlak x hoogte), dus: Gr=(π x r²) x h |
| |
| Priemgetal |
Geplaatst door: Mathijs |
| Een priemgetal is een getal dat alleen door 1 of door zichzelf kan worden gedeeld, wil er een geheel getal (dus geen decimalen) uit de deling komen. Voorbeelden van priemgetallen zijn: 2, 3, 5, 7, 11, 13, 17. |
| |
| Procent |
Geplaatst door: Mathijs |
| Een procent is niets meer dan 1 honderste. Als je een wilt weten wat 15 procent (15%) van 100 is, neem je: 100x0,15 (0,15 is 15 honderste = 15/100). Nu komt er 15 uit. |
| |
| Puntsymetrisch |
Geplaatst door: Mathijs |
Indien een figuur na een draai van 180° precies op zichzelf past, spreekt men van puntsymmetrie.
Dat wil zeggen dat je een figuur een halve slag kunt draaien en dat het dan precies op elkaar past. |
| |
| Pythagoras, Stelling van |
Geplaatst door: Mathijs |
Met de Stelling van Pythagoras kan je een onbepaalde zijde uitrekenen. Eigenlijk reken je de oppervlakte van het vierkant uit, waar de onbepaalde zijde één zijde van is. Omdat je daarna wortelt krijg je de lengte in plaats van de oppervlakte. Je kan de lengte uitreken door het volgende te doen: Doe de overige zijden (de niet-onbepaalde zijden) in het kwadraat en tel ze bij elkaar op. De uitkomst zal de oppervlakte zijn van het vierkant waarvan de onbepaalde zijde één zijde is. Wortel dit antwoord (want het staat in het kwadraat) en je hebt de lengte van de onbepaalde zijde in de eenheid waarin de andere zijden ook staan. Voorbeeld:
AB²+AC²=BC²
√BC² = lengte BC |
| |
|
|